LITHOGRAFIE

De lithografie is in 1796 door Alois Senefelder uitgevonden.
Het is een manier van drukken die in de begin periode hoofdzakelijk door kunstenaars werd gebruikt. Later, tot ongeveer de 2e wereldoorlog, werd de lithografie industriëel gebruikt door commerciële drukkerijen. Vooral etiketten, verpakkingen en plaatwerk, zoals affiches, werden in steendruk vervaardigd.

Lithografie berust op het natuurkundig beginsel dat water en vet elkaar afstoten. Zij werkt als volgt. Een platte steenplaat wordt eerst geheel vlak geslepen (gegreind). Op het steenoppervlak kan vervolgens met vet krijt of vette inkt worden getekend. Het vel uit het krijt of de inkt trekt in de licht poreuze steen. Na een behandeling van de steen met arabische gom en salpeterzuur wordt de tekening met terpentine verwijderd. Het krijt- of inktvet blijft in de steen zitten. Met een vochtige spons wordt de steen nat gemaakt: waar getekend is en waar de steen dus vet is, wordt het water afgestoten en blijft de steen droog. Nu kan met een inktrolIer het beeld worden ingeïnkt. De vette drukinkt hecht zich alleen op de droge gedeelten van de steen. Wanneer er voldoende drukinkt op de steen staat, wordt er een vel papier op gelegd dat met grote druk onder een speciale pers wordt doorgehaald. De prent is dan gereed. Lithografie wordt vlakdruk genoemd omdat de drukinkt op het vlak van de steen wordt aangebracht. Bij de hoog- en diepdruk komt de drukinkt juist op een hoger of in een lager gedeelte van de drukvorm te zitten.
De prent noemt men afgekort vaak een litho.